De regelgeving in Nederland
Een overzicht van de opleidingsverplichtingen van werkgevers (2026). Deze pagina is informatief en geen juridisch advies.
Opleiden: een plicht van elke werkgever
De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) legt de basis: de werkgever zorgt voor de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers (artikel 3). Hij brengt de risico's in kaart in een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) (artikel 5) en zorgt dat werknemers doeltreffende voorlichting en onderricht krijgen over hun werk en de risico's die daaraan verbonden zijn (artikel 8).
Het Arbobesluit werkt die plichten per risico verder uit. Voor de werkgever gaat het dus niet alleen om een wettelijke verplichting, maar ook om aantoonbaar bekwame medewerkers. In verschillende sectoren kunnen opleidingskosten bovendien (deels) vergoed worden via een O&O-fonds.

Heftruck, reachtruck en andere mobiele arbeidsmiddelen
Volgens artikel 7.17b van het Arbobesluit is het besturen van mobiele arbeidsmiddelen, zoals heftrucks en reachtrucks, voorbehouden aan werknemers die daarvoor specifieke deskundigheid hebben.
De wet schrijft geen vast certificaat voor: de werkgever moet kunnen aantonen dat de bediener deskundig is. In de praktijk gebeurt dat met:
- Een opleiding met theorie- en praktijktoets.
- Een schriftelijke aanwijzing of bedieningsopdracht van de werkgever.
- Instructie over de eigen werkplek en de interne verkeersregels.
Voor hijskranen, zoals mobiele kranen en torenkranen, is een TCVT-certificaat wel wettelijk verplicht.

Werken aan elektrische installaties (NEN 3140)
Volgens artikel 3.5 van het Arbobesluit mogen werkzaamheden aan of nabij elektrische installaties alleen worden uitgevoerd door werknemers die daarvoor deskundig of voldoende onderricht zijn.
NEN 3140 (laagspanning) en NEN 3840 (hoogspanning) geven daar invulling aan. De werkgever wijst medewerkers schriftelijk aan op hun niveau, zoals Voldoende Onderricht Persoon (VOP), Vakbekwaam Persoon (VP) of Werkverantwoordelijke (WV). De opleiding levert het bewijs van bekwaamheid dat daarvoor nodig is.
Herhaling: de kennis moet op peil blijven. De termijn volgt uit de RI&E en ligt in de praktijk meestal tussen 1 en 3 jaar.

Graven bij kabels en leidingen (CROW 500)
Volgens de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) doet wie mechanisch graaft vooraf een graafmelding bij het Kadaster (KLIC), om schade aan kabels en leidingen te voorkomen.
De richtlijn CROW 500 “Zorgvuldig graafproces” beschrijft hoe alle betrokkenen dat doen. Ze onderscheidt onder meer:
- Opdrachtgever: bereidt het project voor en zorgt voor de juiste informatie.
- Grondroerder: plant en leidt het graafwerk.
- Machinist en medewerkers: voeren het graafwerk zorgvuldig uit nabij de netten.

Bedrijfshulpverlening (BHV) en EHBO
Volgens de artikelen 3 en 15 van de Arbowet zorgt elke werkgever voor bedrijfshulpverlening. BHV'ers moeten in staat zijn om:
- Eerste hulp te verlenen bij ongevallen.
- Een beginnende brand te beperken en te bestrijden.
- Werknemers en andere aanwezigen te alarmeren en te evacueren.
Het aantal BHV'ers en hun taken volgen uit de RI&E. Een jaarlijkse herhaling is gangbaar om BHV'ers inzetbaar te houden.
EHBO: het diploma Eerste Hulp van Het Oranje Kruis is 2 jaar geldig en blijft geldig met een jaarlijkse herhaling.

Werken op hoogte, hoogwerkers en steigers
Volgens artikel 3.16 van het Arbobesluit neemt de werkgever maatregelen tegen valgevaar, onder meer bij werk vanaf 2,5 meter hoogte. Collectieve maatregelen, zoals een steiger of hoogwerker, gaan daarbij voor persoonlijke beschermingsmiddelen, volgens de arbeidshygiënische strategie.
Steigers mogen alleen worden opgebouwd, afgebroken of gewijzigd door deskundige werknemers, onder leiding van een deskundige.
Hoogwerkers: het internationaal erkende IPAF-certificaat toont aan dat de bediener de gekozen categorieën hoogwerkers veilig kan bedienen. Wie met een harnas werkt, moet worden opgeleid in het gebruik en de controle ervan.

Tillen en fysieke belasting
Volgens hoofdstuk 5 van het Arbobesluit beoordeelt de werkgever de fysieke belasting van het werk en beperkt hij die zoveel mogelijk. Werknemers die lasten tillen, duwen of trekken, krijgen:
- Voorlichting over de risico's, onder meer voor de rug.
- Onderricht over de juiste werkwijze en het gebruik van hulpmiddelen.
Doel: klachten aan het bewegingsapparaat en verzuim voorkomen, door te leren hoe je efficiënt en veilig werkt.

Brandveiligheid en ontruiming
Een beginnende brand bestrijden en een gebouw veilig ontruimen zijn kerntaken van de BHV-organisatie (artikel 15 Arbowet). Daarvoor zijn nodig:
- Een ontruimingsplan dat past bij het gebouw en de RI&E.
- Medewerkers die weten hoe ze kleine blusmiddelen gebruiken.
- Regelmatige ontruimingsoefeningen, met een evaluatie achteraf.
Voor specifieke functies bestaan aanvullende opleidingen, zoals ploegleider BHV, hoofd BHV en evacuatiemedewerker.

Asbest
Volgens hoofdstuk 4 van het Arbobesluit mag asbest alleen worden verwijderd door gecertificeerde bedrijven, met personeel dat daarvoor gediplomeerd is: de Deskundig Asbestverwijderaar (DAV) en de Deskundig Toezichthouder Asbestsloop (DTA).
Asbestherkenning: ook wie niet zelf saneert, zoals medewerkers in bouw, installatie en onderhoud, moet asbest kunnen herkennen en weten wat te doen bij een vermoeden ervan.

Explosiegevaar (ATEX)
Volgens het Arbobesluit en Richtlijn 1999/92/EG deelt de werkgever ruimten waar een explosieve atmosfeer kan ontstaan door gas, damp of stof in zones in (0, 1, 2, 20, 21 en 22) en legt hij de maatregelen vast in een explosieveiligheidsdocument.
Opleiding: wie in deze zones werkt, moet voldoende en passend onderricht krijgen over explosieveiligheid, afgestemd op de taak, van bewustwording tot werken aan Ex-installaties.

Werken in besloten ruimten
Besloten ruimten, zoals tanks, putten en kelders, brengen specifieke risico's mee: zuurstoftekort, giftige of brandbare gassen en een moeilijke redding. De werkgever neemt die risico's op in de RI&E en zorgt voor de juiste maatregelen en opleiding.
In de (petro)chemie zijn de SSVV-opleidingen Gasmeten en Mangatwacht de gangbare standaard, en vaak een eis van de opdrachtgever.

Werken met gevaarlijke stoffen
Volgens hoofdstuk 4 van het Arbobesluit beoordeelt de werkgever de risico's van werken met gevaarlijke stoffen en zorgt hij voor voorlichting en onderricht aan de werknemers.
Inhoud van de opleiding: de gevarenpictogrammen volgens de CLP-verordening, het lezen van veiligheidsinformatiebladen (VIB) en de extra maatregelen voor kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische stoffen.
Vervoer: chauffeurs die gevaarlijke stoffen vervoeren, hebben een ADR-certificaat nodig.

VCA: veilig werken als contractor
VCA is geen wet, maar wel de standaard waarmee opdrachtgevers in bouw, industrie en logistiek vragen naar aantoonbaar veilig werken. Veel opdrachtgevers eisen dat medewerkers van contractors en uitzendbureaus een VCA-diploma hebben.
De diploma's: B-VCA voor uitvoerende medewerkers, VOL-VCA voor operationeel leidinggevenden. Het examen wordt afgenomen door een erkende exameninstelling, en het diploma is 10 jaar geldig.
